Toen Netscape Navigator halverwege de jaren negentig in razend tempo de standaardbrowser voor internet werd, leek de toekomst al vast te liggen. Vrijwel iedere nieuwe internetgebruiker installeerde het programma, computertijdschriften stonden vol tips en trucs en softwareontwikkelaars bouwden hun websites in de overtuiging dat toch bijna iedereen dezelfde browser gebruikte. Netscape was meer dan een succesvol programma; het was uitgegroeid tot het gezicht van het jonge World Wide Web.
Voor deel 1 van de geschiedenis van de browser, klik hier
Terwijl de internetgemeenschap enthousiast experimenteerde met deze nieuwe manier van communiceren, keek Microsoft aanvankelijk opvallend afwachtend toe. Dat is achteraf bijna niet meer voor te stellen. Het bedrijf had met Windows een dominante positie op de pc-markt en Office groeide uit tot de standaard voor kantoorautomatisering, maar internet leek vooral een interessante technologie voor universiteiten en hobbyisten. Bill Gates zou later toegeven dat hij de impact van het web aanvankelijk had onderschat.
Dat veranderde in 1995. In zijn inmiddels legendarische interne memo The Internet Tidal Wave beschreef Gates internet als de belangrijkste ontwikkeling sinds de introductie van de personal computer. Vanaf dat moment veranderde de strategie van Microsoft volledig. Het bedrijf wilde niet langer toekijken hoe een relatief kleine concurrent de toegangspoort tot internet beheerste, maar besloot zelf de aanval te openen.
De browser als toegangspoort
Achteraf is die beslissing goed te begrijpen. Wie de browser controleert, bepaalt immers hoe gebruikers internet ervaren. Als miljoenen mensen dagelijks een browser van een concurrerend bedrijf gebruiken, ontstaat het risico dat het besturingssysteem op de achtergrond raakt. Waarom zou een ontwikkelaar nog speciale Windows-software schrijven als dezelfde toepassing ook gewoon in een browser kan draaien?
Microsoft zag die ontwikkeling al vroeg aankomen en besloot daarom niet alleen een eigen browser te ontwikkelen, maar ook een compleet eigen online omgeving op te zetten. Die omgeving kreeg de naam Microsoft Network, beter bekend als MSN.
Veel mensen kennen MSN vooral van Messenger of de nieuwssite die nog altijd bestaat, maar dat was oorspronkelijk niet de bedoeling. Microsoft wilde een gesloten online dienst bouwen waarin gebruikers konden e-mailen, chatten, nieuws lezen, software downloaden en online winkelen zonder ooit het open internet te hoeven verlaten. Eigenlijk was het een moderne variant van de online diensten die in de Verenigde Staten al bestonden, zoals America Online en CompuServe, en in zekere zin zelfs een geestelijke opvolger van Viditel, waarover ik eerder in deze serie schreef.
Het plan was ambitieus, maar de werkelijkheid bleek weerbarstiger. Juist de openheid van het World Wide Web zorgde ervoor dat iedere dag duizenden nieuwe websites verschenen die door iedereen bezocht konden worden. Gebruikers wilden niet opgesloten zitten in één commerciële omgeving, maar zelf bepalen welke informatie zij raadpleegden. Microsoft paste zijn strategie daarom al snel aan en MSN veranderde geleidelijk van een gesloten netwerk in een verzameling internetdiensten en een populair webportaal.
Internet Explorer verschijnt ten tonele
Ondertussen werkte Microsoft koortsachtig aan een eigen browser. Die kreeg de naam Internet Explorer en werd vanaf Windows 95 steeds nadrukkelijker onderdeel van het besturingssysteem. Dat bleek een geniale zet. Waar Netscape apart moest worden gedownload of aangeschaft, stond Internet Explorer al op miljoenen nieuwe computers geïnstalleerd.
Voor veel gebruikers was dat voldoende reden om simpelweg de standaardbrowser te gebruiken. Binnen enkele jaren veranderde het landschap volledig. Netscape verloor steeds meer terrein en Internet Explorer groeide uit tot de onbetwiste marktleider. Rond de eeuwwisseling gebruikte meer dan negentig procent van alle internetgebruikers de browser van Microsoft. Voor buitenstaanders leek de strijd daarmee beslist. In werkelijkheid begon het moeilijkste deel toen pas.
De browseroorlog belandt in de rechtszaal
De dominante positie van Microsoft bleef niet zonder gevolgen. In de Verenigde Staten beschuldigden justitie en verschillende staten het bedrijf van machtsmisbruik, omdat Internet Explorer onlosmakelijk met Windows werd verbonden. Concurrenten kregen daardoor nauwelijks nog een eerlijke kans. De rechtszaak sleepte zich jarenlang voort en behoort nog altijd tot de bekendste antitrustzaken uit de geschiedenis van de software-industrie.
Waarom dezelfde website er overal anders uitzag
Wie tegenwoordig een website bouwt, kan er vrijwel vanuit gaan dat deze in iedere moderne browser ongeveer hetzelfde wordt weergegeven. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar in de tweede helft van de jaren negentig was het dagelijkse praktijk dat een pagina in Netscape perfect werkte en in Internet Explorer volledig uit elkaar viel. Om te begrijpen waarom dat gebeurde, moeten we kort kijken naar de techniek achter een webpagina.
Een browser ontvangt namelijk geen kant-en-klaar plaatje, maar een beschrijving van de inhoud. HTML bepaalt welke onderdelen aanwezig zijn, CSS beschrijft hoe die eruit moeten zien en JavaScript voegt interactieve functies toe. Vervolgens moet de browser al die informatie interpreteren en omzetten naar wat uiteindelijk op het scherm verschijnt. Het probleem was dat iedere browserfabrikant die interpretatie nét iets anders uitvoerde.
Netscape voegde eigen HTML-elementen toe die nergens officieel waren vastgelegd. Microsoft ontwikkelde ActiveX en VBScript, technologieën die uitstekend werkten in Internet Explorer, maar door concurrenten nauwelijks werden ondersteund. Opera koos weer voor een eigen aanpak en ook de eerste Mozilla-versies interpreteerden bepaalde onderdelen anders.
Voor webontwikkelaars was dat een voortdurende bron van frustratie. Een zorgvuldig opgebouwde pagina kon in de ene browser keurig worden weergegeven, terwijl in een andere browser afbeeldingen versprongen, menu’s verdwenen of tabellen volledig uit hun verband werden getrokken.
De kunst van het improviseren
Ik herinner me nog goed hoe websites in die tijd werden gebouwd. Niet door één keer op een knop te drukken, maar door eindeloos te testen. Na iedere wijziging werd dezelfde pagina geopend in Netscape, daarna in Internet Explorer en vaak ook nog in Opera. Was alles nog netjes uitgelijnd? Stond de afbeelding nog op de juiste plaats? Werkten de formulieren nog? Vaak was het antwoord ontkennend.
Webbouwers ontwikkelden daarom allerlei creatieve oplossingen. Complete stukken code werden uitsluitend uitgevoerd wanneer een bepaalde browser werd herkend en soms bestonden er zelfs twee verschillende versies van dezelfde website. Onderaan veel pagina’s verschenen bekende logo’s met teksten als Best viewed with Netscape Navigator of Optimized for Internet Explorer. Daarmee werd de bezoeker subtiel duidelijk gemaakt dat eventuele fouten vooral aan zijn browser lagen.
Het lijkt tegenwoordig bijna onvoorstelbaar, maar jarenlang bestond er geen garantie dat een website er op iedere computer hetzelfde uitzag.
Internet Explorer 6: geliefd én verguisd
Toen Internet Explorer 6 in 2001 verscheen, leek Microsoft de browserstrijd definitief te hebben gewonnen. De browser bleef echter jarenlang vrijwel onveranderd terwijl het web zich razendsnel ontwikkelde. Ontwikkelaars moesten talloze trucs toepassen om moderne websites toch correct weer te geven. Nog jaren nadat nieuwere browsers beschikbaar waren, vormde Internet Explorer 6 de grootste frustratie van vrijwel iedere webdesigner.

De strijd om open standaarden
Terwijl de concurrentie tussen Netscape en Microsoft steeds harder werd, groeide ook het besef dat het web alleen kon blijven functioneren als browsers zich aan dezelfde afspraken zouden houden. Organisaties als het World Wide Web Consortium (W3C) werkten daarom aan open standaarden voor HTML, CSS en andere webtechnologieën.
Dat proces verliep moeizaam. Browserfabrikanten wilden zich onderscheiden en voegden liever eigen functies toe dan dat zij gezamenlijk afspraken maakten. Toch bleek samenwerking uiteindelijk onvermijdelijk. Zonder gemeenschappelijke standaarden zou iedere website apart moeten worden gebouwd voor iedere browser, een situatie die op termijn onhoudbaar was.
Ironisch genoeg werd juist de dominante positie van Internet Explorer uiteindelijk het begin van een nieuwe revolutie. Microsoft had de browseroorlog gewonnen en zag weinig reden om zijn browser nog snel door te ontwikkelen. Innovatie maakte plaats voor stilstand. Dat bood onverwacht ruimte voor een nieuwe generatie browsers die snelheid, veiligheid en open standaarden centraal stelde.
Uit de resten van Netscape ontstond een open-sourceproject dat aanvankelijk door weinig mensen serieus werd genomen. De naam van die browser was Firefox. En daarmee begon een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het web. Dat lees je in het volgende deel.
Meer artikelen in de serie De geschiedenis van vind je hier
De bij dit artikel gebruikte (hoofd)afbeeldingen zijn digitaal gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie en vertegenwoordigen geen daadwerkelijk gefotografeerde situaties. Ook is er in het artikel gebruikgemaakt van gratis stockafbeeldingen van Pixabay.
Over de auteur
Marco Mekenkamp is eindredacteur van PC-Active. Dit 108 pagina's tellende magazine verschijnt elke twee maanden en is te koop in de winkel. Leden van HCC krijgen PC-Active zes keer per jaar thuisgestuurd als onderdeel van het HCC-lidmaatschap.
