Bijna de helft van de Nederlandse huisartsenpraktijken gebruikt inmiddels minstens één AI-ondersteunde digitale toepassing. Vooral spraakgestuurde rapportage en AI-ondersteunde triage zijn in opkomst. Tegelijkertijd zijn tijd, kosten en zorgen over betrouwbaarheid belangrijke obstakels.
Snelle groei
Het gebruik van kunstmatige intelligentie in de huisartsenzorg neemt duidelijk toe. In 2025 gebruikte 46 procent van de onderzochte huisartsenpraktijken minimaal één van zes door Nivel onderzochte AI-toepassingen. Een jaar eerder was dat nog ongeveer een op de vijf praktijken. De cijfers komen uit de jaarlijkse Nivel-huisartsenpraktijkenquête, waaraan ruim 800 praktijken deelnamen.
De grootste groei is zichtbaar bij AI-ondersteunde spraakgestuurde rapportage. Daarbij wordt een consult automatisch omgezet in een verslag dat in het patiëntendossier kan worden opgenomen. In 2025 gebruikte 36 procent van de praktijken deze technologie, tegenover 14 procent in 2024. AI-ondersteunde triage werd door 16 procent gebruikt, tegen 10 procent een jaar eerder.
AI wordt daarmee vooral ingezet voor taken die de huisarts en praktijkmedewerkers tijd kunnen besparen. Denk aan het automatisch vastleggen en verwerken van informatie uit een patiëntgesprek en ondersteuning bij de eerste beoordeling van een zorgvraag.
Wel behoefte
De cijfers laten ook zien dat het huidige gebruik niet het hele verhaal vertelt. Veel huisartsenpraktijken zouden AI wel willen inzetten, maar doen dat nog niet. Vooral bij preventieve zorg bestaat belangstelling: de helft van de praktijken geeft aan hiervoor AI te willen gebruiken, maar dat nog niet te doen.
Ook voor AI-ondersteunde triage, spraakgestuurde rapportage en gepersonaliseerde behandelplannen bestaat bij respectievelijk 45, 41 en 41 procent van de praktijken behoefte. Voor andere toepassingen is de belangstelling aanzienlijk kleiner. Zo geeft 47 procent aan geen behoefte te hebben aan een AI-chatbot of digitale doktersassistent voor het beantwoorden van patiëntvragen. Voor AI-ondersteuning bij diagnostiek geldt dat voor 42 procent van de praktijken.
Menselijk contact
De terughoudendheid bij sommige toepassingen heeft volgens Nivel onder meer te maken met het persoonlijke karakter van huisartsenzorg. Praktijken vrezen dat AI een deel van het menselijke contact verdringt. Ook wordt getwijfeld aan de meerwaarde en betrouwbaarheid van sommige toepassingen.
Daarnaast zijn er zorgen over de gevolgen voor de werkdruk. Sommige praktijken ervaren juist extra werk door AI en vrezen dat patiënten hogere verwachtingen krijgen. Ook wordt gewezen op het risico dat zorgverleners te veel op AI gaan vertrouwen en daardoor zelf minder kritisch nadenken.
Dat verklaart mede waarom juist diagnostiek en digitale doktersassistenten minder populair zijn. Bij een diagnose spelen de persoonlijke context van een patiënt en het klinische oordeel van de huisarts een belangrijke rol. Ook de doktersassistent heeft volgens Nivel een belangrijke functie als persoonlijk eerste aanspreekpunt.
Praktische obstakels
Ook als huisartsen AI wel willen gebruiken, blijkt invoering niet altijd eenvoudig. Tijd en geld worden veel genoemd als obstakels. Praktijken hebben bovendien vaak andere prioriteiten, bijvoorbeeld een overstap naar een ander huisartsinformatiesysteem of personeelswisselingen.
Een ander probleem is de aansluiting op bestaande systemen. Sommige AI-toepassingen zijn volgens de ondervraagde praktijken nog onvoldoende ontwikkeld of kunnen niet goed worden geïntegreerd in het huisartsinformatiesysteem. Ook worden fouten en problemen met bijvoorbeeld dialecten genoemd bij spraakgestuurde toepassingen.
Opvallend is bovendien dat een deel van de praktijken niet goed weet welke AI-toepassingen in de eigen praktijk worden gebruikt of welke mogelijkheden er zijn. Nivel ziet daarom een duidelijke behoefte aan meer kennis en AI-geletterdheid onder zorgprofessionals.
Niet kritiekloos
De onderzoekers verwachten dat het gebruik de komende jaren verder kan toenemen. Vooral triage en spraakgestuurde rapportage worden verder onderzocht en kunnen met financiële ondersteuning en praktijkonderzoek worden opgeschaald. Voorwaarde is wel dat de toepassingen daadwerkelijk tijd besparen, goed aansluiten op bestaande systemen en betaalbaar zijn.
Nivel benadrukt tegelijkertijd dat verder onderzoek nodig is. AI-toepassingen moeten volgens de onderzoekers verder worden ontwikkeld, betaalbaar en veilig zijn en bestaande werkprocessen daadwerkelijk ondersteunen. Ook moet beter worden vastgesteld welke toepassingen onder welke omstandigheden aantoonbaar effectief zijn.
De onderzoeksresultaten zijn gebaseerd op ruim 800 volledig ingevulde vragenlijsten van ruim 4.500 aangeschreven huisartsenpraktijken, een respons van 19 procent. Nivel waarschuwt daarom dat sprake kan zijn van selectiebias en dat de resultaten mogelijk niet representatief zijn voor alle Nederlandse huisartsenpraktijken.
Wat betekent dit voor HCC-leden?
AI wordt steeds zichtbaarder in de zorg waarmee ook consumenten te maken krijgen. Een patiënt kan bijvoorbeeld indirect met AI te maken krijgen doordat een huisarts AI gebruikt voor het uitwerken van een consult of voor ondersteuning bij triage. Misschien heb jij dat inmiddels zelf ook al meegemaakt.
Voor HCC-leden is vooral van belang dat AI niet automatisch betekent dat menselijke zorg verdwijnt. De cijfers laten juist zien dat huisartsen kritisch kijken naar toepassingen waarbij persoonlijk contact en professioneel oordeel een grote rol spelen. Tegelijkertijd kan AI bij administratieve taken wel degelijk een praktische rol krijgen.
Daarbij blijft het belangrijk dat patiënten weten wanneer AI wordt gebruikt, welke gegevens daarvoor nodig zijn en wie verantwoordelijk blijft voor de uiteindelijke beslissing.
Standpunt van HCC
HCC ziet kansen voor AI wanneer technologie mensen ondersteunt en aantoonbaar iets toevoegt. Het Nivel-onderzoek laat echter goed zien dat invoering niet alleen een technische kwestie is. Betrouwbaarheid, privacy, kosten, gebruiksgemak en de gevolgen voor menselijke contacten zijn minstens zo belangrijk.
HCC vindt daarom dat AI in de zorg niet moet worden ingevoerd omdat het technisch mogelijk is, maar omdat de toepassing aantoonbare meerwaarde heeft. AI moet de huisarts ondersteunen en niet het menselijke oordeel en contact vervangen. Daarbij moeten patiënten begrijpelijke informatie krijgen over het gebruik van AI en moeten zorgverleners voldoende kennis hebben om AI-uitkomsten kritisch te beoordelen.